Liefde maakt blind

Daar waar mensen en dieren in huiselijke kring samenleven, groeit liefde voor elkaar. Vaak zal dit tot wederzijds genoegen zijn, maar soms kan de liefde voor het dier zo doorslaan dat het welzijn van dat dier in het gedrang komt. Wanneer is de liefde voor een dier dermate blind dat het welzijn van dat dier eronder lijdt? Dat is de vraag waar de RDA zich over gebogen heeft in dit essay

©RDA

In het essay ‘liefde maakt blind’ verkent de RDA de gevolgen van de groeiende menselijke identificatie met dieren. We belichten situaties waarin dieren lijden onder de liefde van mensen, formuleren wat passende rolopvattingen van verschillende partijen zouden zijn, en speculeren over mogelijke maatschappelijke gevolgen als de antropomorfe benadering van dieren doorzet. Hiermee willen we reflectie op gang brengen die (op termijn) uitmondt in nieuw beleid.  

Netjes gedragen

Onze nieuwe huisgenoten mogen bij ons rondhangen, graag zelfs - maar dan moeten ze zich wel netjes gedragen. “Wij beginnen huisdieren onze eigen normen en waarden op te leggen”, constateert hoogleraar Wetenschapscommunicatie en RDA-lid Bas Haring. Milieufilosoof Josef Keulartz spelt uit waar dit in de praktijk toe kan leiden: sommige vormen van natuurlijk diergedrag (Keulartz noemt parasitisme, predatie en kannibalisme) vinden wij ‘aanstootgevend’. Onze huisgenoten rukken hun prooi meedogenloos uit elkaar en hebben seks zonder schroom. Ook een hond of kat die onder het oog van de visite uitgebreid zijn aars likt, voelt voor velen al ongemakkelijk. Wij schamen ons voor het dier, net zoals we ons voor onbetamelijk gedrag van onze kinderen zouden schamen. Sommige baasjes proberen dat gedrag dan ook de kop in te drukken.  

Fokbeleid

Het fokken op voor het dier schadelijke uiterlijke kenmerken krijgt inmiddels aandacht; wetgeving begint paal en perk te stellen aan de grootste uitwassen. Een minder belicht verschijnsel is het fokken op karaktereigenschappen. De Amerikaanse hondenonderzoeker Gregory Berns maakt zich zorgen over het wegfokken van agressie in dieren. Het wegfokken van agressie kan in het voordeel van dieren werken; zo hoeven minder agressieve dieren ook minder kort gehouden te worden, wat hun leven vermoedelijk veraangenaamt. Maar te weinig agressie is ook niet goed, want agressie heeft gewoonlijk een functie. “Agressie kan passend zijn in een situatie waarin het dier zich moet verdedigen”, zegt Berns.  

In 2018 zag een ‘deskundigenverklaring’ rond de fok van ‘designerkatten’ zoals de (vaak haarloze) Bambino Sphynx het licht. Op grond van deze verklaring kan de NVWA beter controleren op de fok van dergelijke katten. En in 2019 zijn criteria opgesteld bij artikel 3.4 die de minimale neuslengte bepalen van honden die mogen worden ingezet voor de fokkerij.

Aanbevelingen

De RDA zou graag zien dat er nog meer werd gesproken en nagedacht over wat ‘gepast’ antropomorfisme in de praktijk zou kunnen behelzen. Wat is de juiste band tussen mens en dier? Hoe kan de liefde tussen mens en gezelschapsdier stromen zonder dat het dier compleet geannexeerd wordt in een menselijke leefwereld? Welke ruimte is er om te erkennen – ja zelfs te vieren – dat dieren ook anders zijn dan mensen, en hoe zou het dier daar in de praktijk bij kunnen gedijen? De RDA zal blijven reflecteren op deze en soortgelijke vragen, roept op tot een maatschappelijk gesprek hieromtrent, en draagt daar graag zelf aan bij.