De omgang met invasieve uitheemse diersoorten maakt een fundamentele spanning zichtbaar in het natuurbeleid: de bescherming van ecosystemen en biodiversiteit enerzijds en het welzijn en leven van individuele dieren anderzijds. Daarbij roept het doden van dieren maatschappelijke weerstand op, met name bij ‘aaibare’ soorten zoals de wasbeer of Pallas’ eekhoorn. Ook gaat de bestrijding van sommige soorten gepaard met onbedoelde ‘bijvangst’, zoals bij de aanpak van muskusratten. Er ontstaan daarnaast dilemma’s voor wildopvangcentra, die hulpbehoevende invasieve dieren opvangen en verzorgen, maar daarna niet meer mogen terugzetten.
De Raad onderstreept in de zienswijze dat ingrijpen bij invasieve uitheemse diersoorten in veel gevallen verdedigbaar is, ook wanneer dit gevolgen heeft voor individuele dieren. Ook constateert de Raad dat het huidige beleid en bestuurlijke stelsel nog onvoldoende zijn toegerust voor deze problematiek. Ook de ontwikkelingen op het gebied van diervriendelijke methoden verlopen traag. Bovendien zijn verantwoordelijkheden, kennis en capaciteit versnipperd over verschillende bestuurslagen.