De afgelopen maanden hoor ik steeds vaker het begrip keuzevrijheid in relatie tot dierenwelzijn. In eerste instantie klinkt dat heel logisch: natuurlijk moet een dier keuzes kunnen maken. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe minder eenduidig het werd. Niet alle keuzes zijn immers te overzien door een dier en sommige keuzes hebben een negatief effect op het dier zelf, soms zelfs op andere dieren. Dit roept de vraag op: wat bedoelen we eigenlijk met keuzevrijheid, en in hoeverre moeten we dieren dit bieden?
Volgens onderzoek van Maisy Englund en collega’s (2023) zijn er meerdere elementen nodig om via keuzevrijheid bij te dragen aan een positief welzijn. Een dier moet ten eerste kunnen kiezen tussen diverse opties. Ten tweede moet het dier een voorspelbaar resultaat kunnen creëren door het maken van de keuze (ofwel ‘controle’ hebben over de gevolgen). Ten derde dient het dier te worden uitgedaagd, wat inhoudt dat het een doel wil bereiken door gebruik te maken van vaardigheden en gerichte aandacht voor het doel. Samen zorgen deze elementen voor het ontwikkelen van competenties en een gevoel van autonomie. Dat zijn essentiële psychologische behoeften bij mensen en het is logisch te veronderstellen dat ook dieren deze nodig hebben. Zij zijn immers, net als wij, geëvolueerd om te functioneren in onvoorspelbare omgevingen, aldus Englund (Front. Vet. Sci., 2023).
Niet elke keuze draagt automatisch bij aan een beter welzijn. Dieren nemen voortdurend beslissingen: eten of niet, bewegen of rusten, contact zoeken of zich afzonderen. In elke vorm van dierhouderij zouden zulke basiskeuzes mogelijk moeten zijn. Maar wanneer de omgeving nooit verandert - dezelfde stal, hetzelfde voer, dezelfde soortgenoten - verliezen die keuzes hun kracht. Ze vragen geen vaardigheid, geen focus en dieren leren er niets nieuws van. Keuze zonder variatie wordt routine, en routine zonder uitdaging draagt weinig bij aan een positief welzijn.
Juist daarom ligt de sleutel in het creëren van uitdagingen. Door dieren moeite te laten doen voor hun voer of door hun omgeving te variëren, krijgen keuzes waarde. Een bekend voorbeeld zijn de speeltjes waarbij een hond dingen moet verschuiven of indrukken om brokjes te bemachtigen. Ook in varkensstallen zijn er schijven die biggen met hun neus moeten draaien om brokjes tevoorschijn te halen. Prachtige uitdagingen die vragen om vaardigheden en een duidelijk doel hebben. Ze moeten echter wel regelmatig worden vernieuwd om uitdagend te blijven.
Keuzevrijheid kent ook grenzen. Niet elke keuze is op de lange termijn goed voor een dier. Overgewicht kunnen we bijvoorbeeld ook zien als keuzevrijheid, maar schaadt duidelijk het welzijn van het dier. Ook copulatie is een treffend voorbeeld van een uitdagende, belonende keuze die bijdraagt aan een positief welzijn op de korte termijn, maar het dier overziet daarbij de gevolgen voor de toekomst niet. Zo heeft mijn eigen kat in een half jaar tijd twee nestjes gekregen, waardoor ik de keuze heb gemaakt om haar te laten steriliseren voordat ze een derde nest zou kunnen krijgen. In zulke gevallen weegt de keuzevrijheid niet langer op tegen de negatieve effecten.
Juist daar ligt onze verantwoordelijkheid als verzorger of houder. Echte zorg voor dierenwelzijn betekent niet alleen keuzevrijheid bieden, maar betekent ook dat je het dier beschermt tegen mogelijke negatieve consequenties van bepaalde keuzes. Dit zorgt ervoor dat keuzes niet alleen prettig zijn op de korte termijn, maar dat deze keuzes het dier ook op de lange termijn ten goede komen.

Jong RDA-lid Marina Meester heeft dit blog geschreven op persoonlijke titel. Het geeft dus niet de mening van de Raad weer. Marina is docent Epidemiologie Landbouwhuidieren aan de Universiteit Utrecht.