Aan welke diersoorten denk jij bij proefdieren? Waarschijnlijk aan muizen, apen of konijnen. Dat is zeer begrijpelijk. Toch zijn er meer soorten die voor onderzoek gebruikt worden dan we vaak weten. Deze zogenoemde modelsoorten zijn makkelijk te houden, planten zich snel voort en kunnen ons veel kennis opleveren. Naast de bekende soorten, zoals muizen en ratten, worden de fruitvlieg en de rondworm ook enorm veel gebruikt. Toch krijgen deze dieren amper de erkenning die ze naar mijn mening wel verdienen. Hoe zit dat precies?

Net als bij muizen wordt er veel genetisch en neurologisch onderzoek gedaan bij de fruitvlieg en de rondworm. Daardoor weten we bijvoorbeeld hoe embryo-ontwikkeling en genetische ziektes werken. Ongeveer 75 procent van de genen die betrokken zijn bij menselijke genetische aandoeningen zijn vergelijkbaar met genen van de fruitvlieg. Zelf doe ik onderzoek naar de ontwikkeling van het zenuwstelsel, waar ik gebruik maak van rondwormen. De soort van maximaal één millimeter die ik bestudeer heeft ons al enorm veel geleerd over het zenuwstelsel, maar ook over de werking van ziektes als bijvoorbeeld kanker. Onderzoek met deze dieren wordt daarom ook regelmatig bekroond met (Nobel)prijzen. Helaas worden zij zelf in onze samenleving nog vaak gezien als onbeduidend, en als plaag of parasiet.

Ondanks het veelvuldige gebruik van deze modelsoorten is er relatief weinig aandacht voor hun welzijn. Het Nederlandse beleid rondom dierproeven is gebaseerd op Europese richtlijnen. Daaruit wordt duidelijk dat er strenge regels gelden voor het gebruik van gewervelde diersoorten (zoals muizen en apen) voor onderzoek. Bij deze dieren is aangetoond dat ze intelligent genoeg zijn om meer negatieve ervaringen te kunnen verwerken dan bijvoorbeeld vliegen en wormen. Dit is een van de redenen waarom er voor bijna alle ongewervelde proefdieren juist géén regels zijn. Dat voelt voor mij moreel verkeerd.

Onder druk

Het gebruik van proefdieren staat al langere tijd onder druk in de Nederlandse maatschappij. Ik ben blij dat er door de jaren heen al veel beweging is geweest in het beleid hierover. Ook voor onze vliegen en wormen beginnen de tijden te veranderen. Het gebruik van dit soort dieren in de wetenschap wordt steeds vaker besproken. Het kan goed zijn dat we simpelweg nog niet weten op welke manier zij leed kunnen ervaren. Dit was eerst ook het geval met vissen, die pas veel later een beschermde proefdierstatus kregen dan zoogdieren. Evolutionair gezien is het vrij logisch dat elk organisme negatieve signalen kan opvangen en verwerken om zo hun overlevingskansen te vergroten. In hoeverre ieder dier negatieve signalen persoonlijk ervaart, zullen we niet snel kunnen achterhalen, vrees ik.

Ik zie het belang van erkenning voor deze modelsoorten niet alleen in het lab. Ook op maatschappelijk niveau wordt er namelijk vaak alleen maar negatief gedacht over deze vliegjes of wormpjes. Denk bijvoorbeeld aan overlast in de groenbak of de enge verhalen rondom ziekteverspreiding. De verschillen in waarde die wij hechten aan bepaalde diersoorten doen geen recht aan wat de fruitvlieg en de rondworm tot nu toe al allemaal voor ons hebben betekend. Door deze soorten meer erkenning te geven, kan ons beeld van dieren in het algemeen ook verbeteren.

Hoewel modelsoorten relatief minder complex zijn, betekent dat volgens mij niet dat we ze met andere ethische overwegingen moeten behandelen. Doordat deze soorten “eenvoudig” in elkaar zitten, kunnen we juist veel meer van hen leren. Dit maakt dat deze ondergewaardeerde dieren in mijn ogen de status van topmodel zeker verdienen.

Jong RDA-lid Seth Rinkens heeft dit blog geschreven op persoonlijke titel. Het geeft dus niet de mening van de Raad weer. Seth heeft een bachelordiploma in Toegepaste Biologie en is masterstudent Dierwetenschappen aan Wageningen University & Research.