Er is iets aan het veranderen in Nederland. Waar de koe in de wei voorheen symbool stond voor trots en traditie, staat het dier nu midden in discussies over klimaat, stikstof en dierenleed. Het debat over de veehouderij raakt niet alleen aan beleid en cijfers, maar ook aan gevoelens als schuld, trots, boosheid, verdriet en hoop.

Idealisten dromen van een wereld waarin we geen dieren meer gebruiken voor onze voedselproductie. Waar geen varken meer wordt geslacht, geen koe meer in een stal hoeft te staan. Die wens komt voort uit mededogen, uit het gevoel dat het beter zou kunnen én moeten. Tegelijkertijd voelt dat ideaal voor veel veehouders als een aanval op hun bestaan. Voor hen is de boerderij geen ‘productiesysteem’, maar een way of life, vaak opgebouwd door vele generaties. De dieren zijn geen nummers, maar levende wezens waarvoor ze elke dag met liefde zorgen. Veel boeren voelen dat hun werk maatschappelijk steeds minder gewaardeerd wordt. In die zin botsen niet alleen ideeën, maar ook emoties.

Terecht of niet: de veehouderij ligt onder vuur. We mogen alleen niet vergeten dat dezelfde sector decennialang werd geprezen om zijn efficiëntie. Veehouders deden precies wat de samenleving hun vroeg: goedkoop voedsel produceren. Nu lijkt dat plots iets waarvoor ze zich moeten schamen. Die omslag voelt voor menig veehouder oneerlijk. Veel boeren zitten op dit moment klem tussen markt en moraal: de consument wil goedkoop voedsel, de maatschappij wil minder uitstoot en minder dierenleed, de banken willen zekerheid. En de boer? Die moet het allemaal tegelijk waarmaken.

Motor voor verandering

Toch is er ook trots die volgens mij mag blijven: op het vakmanschap van de veehouder bijvoorbeeld, op de zorg voor dieren en op een eeuwenoude band tussen mens, dier en natuur. Die trots kan de motor worden voor verandering. Tenminste, als we elkaar echt willen helpen te bewegen naar een betere, duurzamere toekomst. Als je voorbij de tegenstellingen kijkt, zie je dat boeren, dierenliefhebbers en consumenten ook iets gemeenschappelijks hebben: een verlangen naar rechtvaardigheid. Niemand wil dieren laten lijden. Niemand wil dat water en lucht vervuild raken. En niemand wil dat gezinnen hun levenswerk verliezen. De vraag is dus niet wie gelijk heeft, maar hoe we samen aan een beter systeem kunnen bouwen.

We kunnen niet blijven wijzen naar elkaar, maar moeten beter luisteren: naar de boer die zijn stal wil vernieuwen maar geen lening of vergunning krijgt; naar de burger die zich schuldig voelt om het eten van vlees of om het dierenleed; naar de wetenschapper die zegt dat de aarde haar grenzen (heeft) bereikt. Tussen al die stemmen ligt de ruimte van begrip.

De toekomst van de veehouderij zal niet zwart of wit zijn. Het zal gaan over de balans tussen mens en dier, tussen hart en verstand. De Nederlandse veehouderij hoeft niet te verdwijnen, maar moet opnieuw worden uitgevonden. Kleiner, eerlijker, groener maar nog altijd met een diepgewortelde zorg voor het dier en vakmanschap van de veehouder. Dat vraagt om samenwerking met een overheid die vertrouwen en duidelijkheid geeft, een markt met eerlijke prijzen, een consument die bewust kiest, en een veehouder die durft te veranderen. Alleen samen kunnen we toewerken naar een duurzame, dierwaardige en toekomstbestendige veehouderij.

Jong RDA-lid Jamal Roskam heeft dit blog geschreven op persoonlijke titel. Het geeft dus niet de mening van de Raad weer. Jamal is agrarisch bedrijfseconoom, onderzoeker en projectleider bij Wageningen Social & Economic Research, onderdeel van Wageningen University & Research.